Gedeelte uit de lezing van 12 maart 2007

U ziet ons hier in onze Nationaldräkt.

Hoewel, nationaldräkt?
Folkdräkt, Landskapsdräkt, Häradsdräkt, Sockendräkt, Bygdedräkt, Allmogedräkt, alles is mogelijk. Of niet? Nationaal suggereert "van het hele land". Allmogedräkt zou "van iedereen" zijn en lang niet iedereen droeg een klederdracht. Landskapsdräkt dan? Dat is een moeilijke aanduiding. Sockendräkt dan? Socken is een kerkelijke indeling en toevallig zou het gebruik van een klederdracht met zo'n gebied kunnen samenvallen. Härad is een district en daarvoor geldt hetzelfde. Bygdedräkt is mogelijk. Wij gebruiken gemakshalve "folkdräkt", met als Nederlands equivalent "klederdracht". De Samische klederdrachten bespreken we niet, omdat ze een heel andere historische achtergrond hebben.

In Zweden bestaan meer dan 400 klederdrachten. Tegenwoordig worden deze klederdrachten geassocieerd met feestkleding en saamhorigheid met anderen. De huidige klederdrachten zijn gereconstrueerd naar oude exemplaren in b.v. Nordiska Museet, Kulturen in Lund, of oude schilderijen. Ze zijn niet hetzelfde als het origineel en individuele verschillen komen voor. Hierop kom ik later terug.

Pas na de Middeleeuwen, als men in de Renaissance belangstelling krijgt voor het individu, wordt mode belangrijk. In het leger was het belangrijk hoe men eruit zag, zeker in verband met het horen bij een eenheid. Er werd meestal in de gewone eigen boerenkleding gevochten, maar Gustav Vasa begon met kledingrichtlijnen en Gustav II Adolf was in 1630 al bezig met de inventarisatie van verschillende in gebruik zijnde kleding. Onder Gustav II Adolf kwamen er Hongaarse jassen in rood en blauw. Schoenen waren niet gewoon. Veel soldaten konden niet wennen aan schoenen en droegen een soort laarzen. De soldaten konden kiezen tussen kousen en voetlappen. Deze laatste werden met hooi in de laarzen gedragen. Er waren ook regimenten uit Dalarna. Men sprak van witte dalkarlar (Orsa en Mora hadden witte jassen) en zwarte dalkarlar (Leksand en Rättvik hadden zwarte jassen).

Men wil bij een gemeenschap horen en kleedt zich als de anderen. Eigenlijk was dit ook verplicht. Als mensen naar de kerk gingen, letten ze op elkaar, je mocht geen fouten maken. Door met de regels te breken stelde je je buiten de gemeenschap.
In Väse in Värmland werden 3 personen veroordeeld tot 3 dagen schandpaal en tot biechten, omdat ze weggebleven waren bij de eerste biddag in 1692. Ze zeiden dat ze te arm waren om zich goed te kleden voor de kerk. Zulke straffen werden opgelegd bij besluit van de "sockenstämma", een soort gemeentecomité, waar de priester voorzitter van was. In dit soort besluiten kon ook de kleding worden gereguleerd. Als je je als jongeman rond 1670 in Mora niet aan de voorschriften hield, moest je het leger in. Priesters konden verordonneren wat ze als onfatsoenlijke kleding zagen. De sockenstämma werd pas in 1862 afgeschaft.

In 1770 gaf Gustav III vorm aan een nationale klederdracht (niet voor priesters en boeren), onder de naam "Zweedse of Nationale Dracht". Deze dracht moest worden gemaakt van inheems materiaal. Voorbeeld voor Gustav III was oude boerenkleding uit Skåne. Deze mannenkleding werd algemeen gebruikt, hoewel velen de jas te kort vonden. (Boeren hadden een korte jas).

Ongeveer 1755 had Tessin (de leermeester van Gustav III) een dracht geconstrueerd, geïnspireerd door de Vingåkersdräkt en de mode uit die tijd, voor zijn personeel op Åkerö in Södermanland, maar deze raakte niet erg in zwang. Begin 1950 werd deze Åkerödracht gereconstrueerd en nu wordt deze gedragen in Bettna.

In de 18e eeuw verspreidt de knoop zich. Toen in 1697 een boerenknecht verscheen in een trui met knopen in plaats van de oude, vertrouwde haakjes, was Svennevad in Närke in rep en roer, volgens een oud dagboek. Mannen voerden eerder moderniteiten in in hun dracht. Ze hadden vaker geld dan vrouwen, ze kwamen op markten en troffen volk in de stad.
O.a. door de Oostindische Compagnie kwam men in contact met uitheemse stoffen. Geïmporteerde stoffen voor kleding van de hogere standen waren duur en uit economisch oogpunt niet wenselijk op grote schaal. Daarom verbood men overvloed. Op het continent bestonden in Duitsland en Italië al dergelijke regels.
In 1720 werden in Zweden de eerste regels om overvloed tegen te gaan, uitgevaardigd, speciaal ten aanzien van het gebruik van zijde. Hoewel deze wetgeving nooit effektief kon worden uitgevoerd, leverde ze wel een bijdrage aan de instandhouding van de samenleving in meer en minder bedeelde bevolkingsgroepen.
En gestraft werd er ook. Een aantal meisjes in Östergötland moest de gevangenis in omdat ze zijden linten in het haar dan wel een zijden mutsje hadden gedragen. In een haarvlecht voor mannen (denk aan bijvoorbeeld Mozart) mocht wel zijde worden meegevlochten en daarom mocht een hoedenband ook. Toch was er veel verwarring. Later werden ook de leveranciers van zijde strafbaar gesteld. De bezwaren tegen de inperking van de persoonlijke vrijheid gingen echter zwaarder wegen.
De laatste wet tegen overdaad werd in 1794 uitgevaardigd.

Ook met douanetarieven kon de overheid het gebruik van dure stoffen voor mindervermogenden inperken. De lonen werden door Länsstyrelsen (Gedeputeerde Staten) vastgesteld en hierin zat vaak kleding en ook stof, zoals linnen en wol. De priesters werkten ook mee aan de mentaliteit tegen overdaad.
In 1816 werden op verzoek van de koning overal comité's tegen de overdaad opgericht, bestaande uit 15 capabele mannen van alle rangen en standen. Ze hadden geen grote invloed en door de economische ontwikkeling werd overvloed al snel niet meer ervaren als een gevaar voor de samenleving en het Zweedse volk.

Klederdrachten gingen vaak over als erfstukken, ze waren soms meer waard dan vaste eigendommen. Er waren vaste gebruiken voor weven, kleuren, naaien. Veranderingen gingen langzaam, want het vervaardigen van kleding was tijdrovend. (Vlas bijvoorbeeld: Zaaien, oogsten, spinnen, weven).
"Nu ska vi skörda linet idag,
häckla det väl och spinna det bra.
Sen ska vi väva skjorta och kjol,
svänga oss glatt i dansen!"

De snelheid waarmee iets veranderde, was afhankelijk van de geïsoleerdheid en het contact met de andere sociale lagen en ook van de economische situatie. In economische bloeiperioden kwamen veranderingen sneller, bijvoorbeeld in Blekinge in de achttiende eeuw, toen de luxe gekochte stoffen, zoals zijde, gingen domineren.
Er worden "moderniteiten" aan klederdrachten toegevoegd, zoals een andere snit, een kleuriger sjaal, en dergelijke. Het blijft een klederdracht, omdat delen van de klederdracht worden vervangen, of de klederdracht met nieuwigheden wordt uitgebreid, maar niet geheel vervangen.. Zodra men alles gaat vervangen, wordt het mode en verdwijnt de traditionele kleding.

In het begin van de 19e eeuw is kleding traditiegebonden en men moest zelf kunnen zorgen voor de materialen: Linnen, wol, leer. In de 19e eeuw kwamen er grote veranderingen.
1. Ruilverkaveling. Uitgangspunt was dat iedereen op zijn eigen grond moest wonen. De bebouwing veranderde hierdoor ook en gemeenschappen verdwenen.
2. Industrialisering. Nieuwigheden werden verwelkomd. Er kwamen fabrieksgarens, fabrieksgeweven stoffen en confectie. Rond Siljan, in Vingåker, in enkele Hälsingegemeenten en enkele plaatsen in Skåne vond geen ruilverkaveling plaats. Oude gebruiken bleven daar langer bewaard.

Nog in 1860 mochten boerenjongens geen corduroy kopen voor zondagse kleren, maar alleen huisgeweven textiel. Als op zaterdagavond de klok werd geluid voor het weekeind, moest men de zondagse kleren aantrekken en de wereldlijke bezigheden opzij zetten. Als je foute kleding aan had, viel je behoorlijk op, omdat mannen en vrouwen in de kerk gescheiden van elkaar zaten, de vouwen links en de mannen rechts. Op Hemelvaartsdag kwamen de vrouwen voor het eerst zonder trui naar de kerk, op Michaelsmässa (laatste zondag in september) ging de trui weer aan. Dit alles onafhankelijk van het weer. Als je het te koud had, deed je je trui onder het bovendeel, als je maar niet met de regels brak.

Vanaf 1862 wordt het soepeler: De sockenstämma wordt afgeschaft, de vrije kerkbeweging komt op, die eenvoud preekt in levensvorm en kleding. Rood was de kleur van de duivel en moest dus weg. De eenvoudige alledaagse, weinig kleurrijke kleding werd bepalend, ook voor feestdagen. In deze tijd verdwijnen op veel plaatsen de traditionele klederdrachten.

Na het midden van de 19e eeuw begon men interesse te krijgen in folkdräkter en dan speciaal de kleurrijke, vaak uit Dalarna, Skåne en Södermanland. Artur Hazelius (de oprichter van Nordiska Museet, 1873 en van Skansen, 1891) organiseerde op Skansen veel evenementen met deelnemers in folkdräkt. In het dagboek van Hazelius is te lezen dat de vrouwelijke bisschop Hedrén in 1872 werd gewijd, gekleed in een folkdräkt uit Värmland.

In 1855 kwam een platenboek uit met de titel "Bilder ur Svenska folklifvet" en in 1864 "Svenska folket sådant det ännu lefver". Hierdoor nam de interesse voor volksgebruiken toe. Op maskerades en bruiloften was bijvoorbeeld de Blekingedräkt een bekende verschijning. Men ging ook volksmuziek en sagen bestuderen. Bekende mensen die zich daarmee bezighielden waren Almqvist, Cavallius en Mandelgren. De belangrijkste opgave was: Redden wat er te redden valt. Het bekendste resultaat is de verzameling van Artur Hazelius, die de grondslag vormde voor Nordiska Museet. In schilderijen zien we ook folkliv-motieven, onder andere bij Killan Zoll, Bengt Nordenberg, Vilhelm Wallander, en Amalia Lindegren.

Een interessant punt in de geschiedenis is de hernieuwde opkomst van de kniebroek aan het einde van de 19e eeuw. August Strindberg droeg rond 1880 een kniebroek. De grote promotor was Karl-Erik Forslund. Onder zijn invloed gingen alle leraren van Brunnsviks Folkhögskola gekleed in kniebroek en vadmalskleren, met een blauwe cape over de schouders geslingerd. Gustav VI Adolf droeg een zwarte zijden kniebroek bij zijn smoking. Parlementariërs droegen kniebroeken en in 1920 waren er veel moderne jonge mannen in de stad die de kniebroek prefereerden boven lange broeken. Ook Anders Zorn en Gustaf Cassel komponeerden een eigen dracht met kniebroek.

Vanaf ongeveer 1900 begon de volkshogeschool zich te engageren in folkdräkt en dit was het begin van de opmaat naar de grote belangstelling rond 1970. Carl Larsson en Gustaf Ankarcrona waren betrokken bij het ontwerp van de Nationaldräkt, die moest worden gedragen als er geen lokale dracht voorhanden was. Uit het begin van 1920 dateert de Husmorsdräkt. De achterliggende gedachte was dat deze gedragen kon worden door iedereen, onafhankelijk van maatschappelijke positie, een soort democratische grondgedachte.

De beweging rond 1900 was romantisch. De oude drachten werden gecombineerd met nieuwe blouses en andere roklengtes. Met name Nordiska Museet en Skansen wekten belangstelling op voor oude tradities door kleding. Artur Hazelius, stichter van Skansen, richtte in 1893 Svenska Folkdansens Vänner op en met zijn zoon in 1905 Folkvise Danslaget. In 1920 werd Svenska Folkdansringen opgericht. De naam werd in 1922 al gewijzigd in Svenska Ungdomsringen för Bygdekultur, maar sinds 2006 heet de organisatie weer Svenska Folkdansringen. Belangrijk onderdeel van deze organisatie is Dräkt- och Hemslöjd.

Alle verenigingen, waarbij ook de hemslöjdsföreningar moeten worden genoemd, hebben zich ten doel gesteld de kennis van de oude drachten levend te houden en om een goede standaard te hebben voor nieuwe drachten. Men verkoopt ook materiaal en klederdrachtdelen. Rond 1920 lag het hoogtepunt in de creatie van nieuwe drachten, maar de interesse was nooit zo groot als rond 1970.

Een aantal, maar lang niet alle, onderdelen van klederdrachten willen we hier in het kort bespreken.

De rok (kjol) bijvoorbeeld: Sundborn
1. Livstyckskjol. Rok en lijfje zijn aan elkaar genaaid. Eigenlijk een jurk. Dit was tot ongeveer de 17e eeuw in gebruik, waarna de midjekjol in de mode kwam.
2. Midjekjol. bijvoorbeeld: Njutånger en Västerfärnebo
De rok komt niet hoger dan het middel en daarboven wordt een lijfje gedragen. Deze worden tot ongeveer eind 19e eeuw gedragen, waarna de lange jurk weer in gebruik kwam. Het was overigens niet ongebruikelijk dat men meerdere rokken over elkaar droeg.

Het lijfje (livstycke) bijvoorbeeld: Blekinge
Het lijfje was oorspronkelijk onderkleding, meer als een corset. Later werd het meer zichtbaar gedragen en daarmee ook steeds mooier en luxueuzer. In tegenstelling tot de gebruiken bij de hogere standen, waar het lijfje naar verhouding eenvoudig bleef, werd het bij "de gewone vrouw" steeds gevarieerder.
Merkwaardig is de ontwikkeling van de verhouding tussen rok en lijfje. Onder invloed van mode werd het lijfje steeds korter en de hals steeds dieper uitgesneden. Het resultaat was dat mensen die de mode volgden, automatisch steeds hogere rokken gingen dragen, omdat deze kledingstukken bij elkaar hoorden. Dit gebeurde echter niet in de traditionele kleding, waar het verkleinen van het lijfje niet werd gevolgd door het verlengen van de rok en daardoor ontstond een ruimte tussen rok en lijfje. Dit werd zeer gewaardeerd, hoewel men tegenwoordig zoiets meestal een onvolkomenheid vindt. Het is immers net of het lijfje "te kort" is.

Voorbeeld: Västra Vingåkersdräkt.

Dichtgesnoerde lijfjes zijn het oudst. Knopen kwamen pas veel later, na ongeveer 1800. De gebruikte metalen voor ringetjes, haakjes en sieraden geven de rijkdom van de draagster aan. Gebruikelijk was tin of zilver.

De trui (tröja) bijvoorbeeld: trui Sundborn
Het begrip trui heeft een veel ruimere betekenis, dan die wij eraan geven. Allerlei kledingstukken met lange mouwen, gedragen door vrouwen en mannen, worden als trui aangemerkt. In de hogere standen gebruikte men liever het woord kofta in plaats van tröja, omdat dit beter klonk. Vrouwen droegen de trui zichtbaar, terwijl mannen die meestal als onderkleding gebruikten.
Maar, in onze oren een beetje vreemd, ook als een soort jas kwam de trui voor.

Omstreeks Hemelvaartsdag dan wel rond Midzomer gaat de trui uit. De dag waarop dit gebeurde, was uiteraard streekgebonden en heette barärmadagen (blote-armen-dag). Op Michaelsdag (eind september) gaat de trui weer aan. Als het in de tussenliggende periode te koud wordt gevonden, droeg je de trui onder de officiële kleding, zodat hij niet werd gezien.
Gebreide truien komen eigenlijk alleen voor in Skåne, Halland, Hälsingland en Härjedalen. Breien is iets, wat pas vanaf de 17e eeuw in Zweden wordt gedaan. Het kwam over uit Denemarken, vandaar dat Skåne en Halland vor de hand liggende gebieden zijn. De gebreide truien in Hälsingland en Härjedalen komen pas veel later voor, ongeveer vanaf het begin van de 19e eeuw.

De jas (Rock) bijvoorbeeld: långrock Mälarbygden
Over de term rock bestaat verwarring. Enerzijds werd "rock" ook gebruikt voor een soort jas, die een afgeleide is van de (lange) trui. Een soort trui, maar dan open. Anderszijds is de "rock" een afgeleide van de soldatenjas die de Karoliner (van Karl XII) droegen. De verschillen zijn niet zo duidelijk.

De korte jas (Jacka) bijvoorbeeld: jasje Torna Hällestad Behalve de lange jas bestonden er ook korte jassen. Korte jassen zijn gebruikelijker in het zuiden dan in het noorden. Dat zou kunnen komen, doordat Skåne en Halland bij Denemarken hebben gehoord, waarlangs de korte jassen uit Europa naar het noorden kwamen, maar het kan natuurlijk ook met het weer te maken hebben.

De broek
Broeken werden vaak gemaakt van leer. Maar hoe houd je die schoon? In het blad Dalaringen van Dalarnes Hembygdsring (nr.4-2006) staat een mooie beschrijving, die we u niet willen onthouden.

"Een ouderwets gebruik bij Leksands Folkdanslag! Eén keer per jaar, ongeveer midden augustus, kan men een paar mannelijke leden van Leksands Folkdanslag bij elkaar zien komen aan de waterkant van de Österdalälv bij Tibble. Rondom deze mannen verzamelen zich enkele vrouwen om dat wat komen gaat te controleren en om erbij te helpen. Zwijgend en enigszins formeel kleden de mannen zich bijna helemaal uit, waarna ze hun leren broeken aantrekken. Nog steeds zonder een woord te zeggen lopen ze achter elkaar naar de rivier en gaan met broek en al te water.
De vrouwen op de kant roepen wat opwekkende woorden en enkele mannen zwemmen een stukje. Maar allemaal komen ze terug naar de steiger en gaan dan zo staan, dat de broeken kunnen worden ingezeept en met borstel en zeep kunnen worden schoongemaakt.
Een aantal vrouwen helpt met de schoonmaak en borstelt fanatiek op de leren broeken. De mannen nemen tijdens de schoonmaak enkele merkwaardige houdingen aan en na de eerste schoonmaakbeurt lopen ze weer de Österdalälv in. Zo wordt de procedure herhaald, totdat de kledingstukken hun natuurlijke kleur terug hebben gekregen.

Op een bepaald teken gaan de mannen weer aan land en gaan ze in een rij staan. Daar herhalen ze de oude eed waarbij ze plechtig beloven dat ze de broeken een week lang elke dag zullen aantrekken, zodat de broeken langzaam drogen en hun vorm zullen behouden. Ondertussen hebben de vrouwen koffie met wat lekkers erbij klaargezet en allen laten zich dat goed smaken.
Daarna gaat ieder zijns weegs, maar ze beloven elkaar volgend jaar weer terug te komen."

Sieraden (Smycken)
Zowel in kwantiteit als in variatie zijn de klederdrachten van Skåne uitzonderlijk. Verschillende sieraden komen voor bij de in feestdracht geklede vrouw. Uiteraard had niet iedereen de middelen deze zaken allemaal te bezitten, maar velen hadden ze wel. Er wordt verteld, dat toen het gebruik van al die prachtige opsmuk eind 1800 verdween, de rijke boeren van Skåne de zilveren sieraden met zakken vol tegelijk verkochten om ze te laten omsmelten.
De hartvormige en ronde hangers komen in verschillende formaten in het hele land voor, waarbij de ronde vorm de oudste is. De hangers uit Småland en Halland vallen op door hun grootte.
Het meest gebruikte materiaal was zilver en later ook verguld zilver. Ook messing en andere legeringen werden wel gebruikt. Goud komt pas in de 19e eeuw in beeld.

De voorschoot (förkläde)
De voorschoot is van oorsprong een rechthoekige lap, die aan de riem, of aan een band om het middel wordt gehangen. In Leksand, Mora, Orsa, en meer gebieden in Dalarna bestaat de voorschoot in de dagelijkse klederdracht uit een simpele rechte wollen doek, vastgemaakt aan een bandje. Vaak werd de doek bij slecht weer als bescherming over het hoofd gedaan.
Er bestaat een verhaal over een dorp, waar de mannen gebruikelijk een voorschoot droegen, dat ook de jongens als ze gingen dansen, een voorschoot moesten dragen. Ouderen hielden toezicht om te voorkomen dat de voorschoot onder het dansen werd afgedaan…
Het dragen van een voorschoot was verplicht en (alleen in het Zweeds) heeft het woord förkläde ook nog een bijbetekenis gekregen, namelijk die van chaperon: Een oudere vrouw, die het jonge meisje buitenshuis volgt en ervoor zorgt dat ze zich fatsoenlijk gedraagt.
Ook meerdere voorschoten over elkaar kwam voor, bijvoorbeeld in Halland.

Hoe ouder de voorschoot, hoe smaller. In de 16e eeuw was deze maar een paar decimeter breed. Later, eind 18e eeuw wordt de voorschoot steeds breder.en bedekt de voorkant van de rok bijna helemaal. Alle stoffen waren mogelijk, maar de oudste is waarschijnlijk toch wel de leren voorschoot. Sterk en praktisch. Zeer geschikt voor het zware werk en dus waren het voornamelijk de mannen die de leren voorschoten droegen.

Voorbeeld: Orsa mansdräkt

In rouw droegen de vrouwen een voorschoot met een zeer brede zoom, van onderen af, tot wel de helft van de totale lengte. Meestal witte, maar ook gele en zwarte voorschoten werden in de rouw gedragen.
In een aantal streken in Dalarna kon je aan de kleur van de voorschoot zien welke zondag in de vasten het was.

Haardracht en haarbedekking
De (vrouwelijke) haardracht is het halve hoofddeksel, stelt Anna-Maja Nylén in 1949. Loshangend haar is, zolang men weet, uitsluitend voorbehouden aan ongetrouwde vrouwen, jong en oud. Als getrouwde vrouw was je verplicht je haar te bedekken. Dat betekende het haar opbinden tot een soort knotje. De bedekking die er overheen kwam, nam de vorm aan van het opgebonden haar.
Er bestaan verschillende haarbedekkingen, van eenvoudige opgevouwen doeken tot ingewikkelde constructies.

Voorbeelden: Skedevi+Häverö
Er zijn ook andere hoofdbedekkingen voor vrouwen, (bijvoorbeeld: flickring) zoals deze flickring, of (bijvoorbeeld: bindmössa) een bindmössa.
Ook (bijvoorbeeld: Blekinge) ziet men soms een geborduurd hoedje, een ungmorshatta.
Voor mannen was er (bijvoorbeeld: kilmössa) onder andere de kilmössa, diverse soorten petten, vaak met klep, en de (hoge) hoed bijvoorbeeld: höghatt södra Åsbo.

De tas of zak (bijvoorbeeld: tasje Njutånger en Västerfärnebo)
Oorspronkelijk een losse zak of bundel, samengeknoopt en vastgebonden aan de riem of elders onder de kleren. Mannen hadden in de 16e eeuw al zakken, maar die waren onzichtbaar verwerkt in de kleren. In onder andere Dalarna werd de rokzak wel zichtbaar gedragen en dientengevolge ook verfraaid met borduurwerk, en verder voorzien van een mooie haak. (bijvoorbeeld: tasje Sunborn)

De communicatieve aspecten van kleding (getrouwd, rijkdom) waren speciaal van belang bij kerkbezoek op zondag. Je kon veel afleiden uit de kleding. Gewoon een aantal voorbeelden. Getrouwde vrouwen gingen altijd met bedekt haar. Ongetrouwden vlochten het haar of deden er een band in. (Ongetrouwd met kind = als getrouwd).

Tot het jaar 1900 was haarbedekking heel gewoon.
Aan een muts kon je zien of je een jongen of meisje zag: een jongen had een muts in 6 delen, meisjes in 3 delen.
Een rode band in de schouder in Dalby in Värmland gaf aan dat de persoon eigenaar was van een hele hemman (= oudere benaming voor stuk grond).
Bij een bruiloft in de kerk kon je aan de kleur kousen zien welke mannen op de bruiloft waren uitgenodigd.
Als een vader een kind kwam aangeven bij de priester en hij had de schacht van de laarzen omhoog, dan was het een jongen. Als de laarsschacht naar beneden was gevouwen, was het een meisje.

Dan willen we nog wat vertellen over een paar zuidelijke provincies.
Skåne
Tot 1658 hoorde Skåne bij Denemarken. In de 16e eeuw was Skåne rijk door de hoge prijs van landbouwprodukten. Elementen van barok en renaissance werden dominant in de mode. Deze manier van kleden bleef zo tot in de 19e eeuw. Toen kwam er een nieuwe hoogconjunctuur en men kon ook in de kleding nieuwe elementen zien, voornamelijk luxe details.
De traditie was diep verankerd en tot ver in de 19e eeuw werden truien gedragen met schouderversiering, die zijn oorsprong heeft in de spaanse renaissancemode.

Voorbeeld: Färs härad bondedräkt 1830
Ook na het midden van de 19e eeuw werden in de dameskleding elementen aangetroffen waarvan de wortels ver teruggingen in de tijd, zoals de livkjol met kort bovenstuk (middeleeuwse oorsprong) en de kluut, de zo karakteristieke hoofddoek van de skånske dames.

Voorbeeld: vier mutsjes uit Skåne
Ook de zilveren sieraden hadden middeleeuwse vormen. In Zuid-Skåne vinden we de oudste drachten, terwijl in noord-west-Skåne eerder nieuwigheden van buiten werden overgenomen.
In Skåne worden de lijfjes in het algemeen vastgesnoerd met een ketting en oogjes. Ook haakjes kwamen voor. De kledingstukken met oogjes werden echter hoger gewaardeerd en zijn daarom ook meer bewaard gebleven. Lijfjes in Skåne hadden vaak een "valk" of "pölsa", een "worst" om de rok op te laten rusten.
Al in de 17e eeuw droeg men in Zuid-Skåne zwarte kousen, terwjl men in noord-Skåne veelal blauwe kousen droeg. Ook in Denemarken waren zwarte kousen bekend, terwijl die in andere Zweedse provincies bijna niet voorkomen.
Lange witte broeken zijn in Skåne algemeen in gebruik als dagelijkse en als feestkleding. Men duidde ze aan als "skörde" of "höst"dracht, maar ze werden ook 's zomers algemeen gebruikt.
De typische mannenhoed heeft in Skåne een ronde bolvorm met een brede rand. Een pauweveer op de hoed betekende dat men verloofd was. In Zuidwest-Skåne ziet men voor mannen ook vaak een witte jas (bijvoorbeeld: jasje Torna Hällestad) van vadmal met een blauwe bies. Dit kledingstuk kwam in de mode in het begin van de 19e eeuw, eerst vooral bij jonge mannen, later meer algemeen.
Men ziet ook soms een hoge hoed, (bijvoorbeeld: hoed södra Åsbo), die de boeren rond 1820 begonnen te dragen. De lange jas b.v. bij Luggudde werd pas aan het eind van de 18e eeuw algemeen gedragen door de gewone man, ook weer het eerst in het noorden van Skåne.

Voorbeeld: Luggudde

Blekinge
In de Blekingedracht vinden we een combinatie van oude en nieuwe elementen. In West-Blekinge vindt men meer oude elementen en domineren huisgeweven stoffen. Oost-Blekinge draagt het stempel van mooi, gekocht materiaal. Het westen van Blekinge heeft veel overeenkomst met noord-oost-Skåne en Värend in Småland, het oosten had meer contact met de streek rond Kalmar en Öland.

Voorbeelden: Öllerska-Göinge-Värend
Na 1658 werd de oorlogsvloot in Blekinge gestationeerd en dit zorgde voor een economische bloeiperiode. Zijde en bijvoorbeeld porselein waren geen uitzondering. De dracht van Blekinge was kleurrijk en zeer geliefd. De mannenjassen zijn kort als gevolg van de invloed van de mariene mode. Småland In de kuststreek vonden door de internationale kontakten veel veranderingen plaats. Dit in tegenstelling tot centraal Småland, hetgeen nog steds als een conservatief gebied geldt met als centrum Värend.
Linnaeus schreef dat de dracht van Värend "en prov på det götiska urgamla modet" was, misschien omdat de mannendracht ook wel de gotische dracht werd genoemd. De eerste dracht die werd aangekocht (in de verzameling die later Nordiska museet zou worden) was er een van Värend, in 1847.

Gotland
Van Gotland zijn nauwelijks oude kledingstukken bewaard. De inwoners van Gotland werden 'byxkarlar' (broekemannen) genoemd en hieruit kan men concluderen dat de middeleeuwse lange broek, die zo typisch is voor veel vissers- en zeevaardersdorpen, hier nog werd gedragen. Van Gotland kwam een beroemd soort wit vadmal, populair bij de hoge heren uit Stockholm. Ook was Gotland bekend om gebreide kousen en truien.

Bronnen:
Anna Maja Nylén: Folkdräkter - 1949
Inga Arnö Berg en Gunnel Hazelius Berg: Folkdräkter och bygdedräkter från hela Sverige - 1975
Anna Maja Nylén: Folkdräkter - 1971
Dalaringen, jaargang 35, nr. 4 - 2006

Laatst bijgewerkt op 27-2-2012
Annemieke en karel

Sundborn | Torna Hällestad| Mälarbygden | Skedevi | Upplandsdräkt | Västerfärnebo | Orsa | Delsbo | Hälsingtuna | Njutånger| Nationaldräkt